11-05-2012 13:30,
Columns,
,
Stuur door,
Download column als PDF
De
waan van de dag regeert op de financiële markten. Hierdoor zijn veel
particuliere beleggers gefocust op de korte termijn. De basisemotie
angst speelt hen parten. En op basis daarvan nemen ze nu beslissingen
die hun lange termijn beleggingsdoelstellingen ernstig kunnen schaden.
Beleggers doen er goed aan zich meer te focussen op een
lange termijn strategie en zich daar aan te committeren – ook als het even
minder gaat – dan mee te waaien met alle windrichtingen.
Het is
heel begrijpelijk dat veel particulieren erg korte termijn gericht
zijn. Woorden als ‘recessie’ en ‘crisis’ beheersen het nieuws. Talloze
opinies en visies over de toekomst van Europa en de euro domineren de
media. Het doet beleggers sidderen. Toch is angst geen goede raadgever.
Integendeel, bij beleggen is het de slechtste raadgever die er is.
Spendeer liever tijd om een goede beleggings-strategie voor de lange
termijn te ontwikkelen. Dat geeft niet alleen rust, maar biedt u ook
houvast.
Wat wilt u echt op lange termijn?
Particuliere
beleggers zijn erg gericht op rendementen en hebben daardoor minder oog
voor risico’s. Uiteindelijk wil iedere belegger een voor risico
gecorrigeerd aantrekkelijk rendement op lange termijn. Let op: het gaat
om de toevoeging ‘voor risico gecorrigeerd’. Dat risico en rendement
hand in hand gaan, wordt nog wel eens vergeten. Bij professionele
beleggers is ‘risicodenken’ al langer gemeengoed. Veel professionele
beleggers verdelen het vermogen in twee componenten. Een deel dat de
toekomstige financiële behoefte moet veiligstellen, zeg maar het
risicomijdende deel. Een tweede deel wordt risicovoller belegd om
zodoende een extra rendement mee te behalen. Een min of meer
vergelijkbaar concept past ook CapitalGuards toe. Het ‘Drijfvermogen’ is
het risicomijdende deel en het ’Stuwvermogen’ is het risicovollere deel
dat op lange termijn voor extra rendement dient te zorgen.
Een
manier om de algehele risico’s van beleggen te verlagen, is door een
portefeuille te diversificeren. Niet alleen over beleggingscategorieën
(aandelen, obligaties, grondstoffen, et cetera), maar juist ook door
aandacht te hebben voor risicofactoren die deze specifieke
beleggingscategorieën met zich meebrengen. Een manier om dat te doen is
door te spreiden over beleggingsstrategieën. Om een voor risico
gecorrigeerd aantrekkelijk rendement op lange termijn te kunnen behalen,
zijn het Drijf- en Stuwvermogen gediversificeerd over meerdere
beleggingsstrategieën (zie toelichting). Ze bestaan dus niet louter uit
aandelen of obligaties, zoals klassieke beleggings-portefeuilles. Het
Stuwvermogen bestaat ‘maar’ voor 40 procent uit aandelen (waarvan de
helft wereldwijd en de andere helft opkomende markten). Het overige deel
van het Stuwvermogen bestaat uit verschillende strategieën die een
‘stuwend’ karakter hebben op lange termijn, zoals macrostrategieën,
trendvolgende strategieën, et cetera.
Een objectieve manier om
het langetermijneffect te illustreren van het combineren van
uiteenlopende beleggingsstrategieen binnen het Drijf- en Stuwvermogen,
is door voor elke strategie een representatieve index te gebruiken
(m.u.v. aandelen d.m.v. een aandelenindex). Zo vertegenwoordigt de index
zowel de beheerder met het hoogste rendement als de beheerder met het
laagste rendement. De index geeft dus een gemiddelde weer van een groot
aantal beheerders (fondsen) die min of meer dezelfde beleggingsstrategie
hanteren. Dat levert de volgende grafiek op.

Ik
heb met opzet een heel lange periode gekozen om het langetermijneffect
te laten zien. Er zitten twee belangrijke elementen in de grafiek.
Allereerst de verschillende stadia van aandelenmarkten. De enorme
explosie op de aandelenmarkten in de tweede helft van de jaren negentig.
Vervolgens een periode van dalende aandelenmarkten en wederom jaren van
stijging. En als klapstuk de grootste crisis op aandelenmarkten in de
afgelopen tachtig jaar in 2008. De grafiek loopt tot en met februari
2012 dus de perikelen rondom Griekenland en de euro zijn erin opgenomen.
Het
tweede element dat in de grafiek tot uiting komt, is de ‘explosie’ van
obligaties sinds het uitbreken van de financiële crisis eind 2008. In de
afgelopen twintig jaar is de effectieve rente op obligaties alleen maar
gedaald, wat een stuwende werking heeft gehad op de koersen van
obligaties. De hamvraag is nu hoelang obligaties nog kunnen blijven
stijgen. Zelfs ’s werelds grootste obligatiebelegger Bill Gross van
Pimco heeft hierover al meermalen zijn bezorgdheid geuit en waarschuwt
al enige tijd dat het einde in zicht is voor de jarenlange bull-markt
van obligaties.
Combinatie strategieën aantrekkelijker
De
combinaties van strategieën die binnen het Drijf- en Stuwvermogen zijn
samengebracht, leveren op lange termijn aantrekkelijke
rendement-risicokarakteristieken op. Maar het is ook geen heilige graal.
Integendeel, in 2008 en ook in 2011 is het Drijfvermogen niet immuun
gebleken voor de turbulentie op de financiële markten wereldwijd met
respectievelijk rendementen van -0,8 procent en -3,8 procent. In 2011
hebben obligaties het beduidend beter gedaan dan het Drijfvermogen. Maar
hierbij is weer de eerder gestelde vraag van toepassing: hoelang
blijven obligaties nog aantrekkelijk? En doet het feit dat 2011 achteraf
gezien een beter jaar was voor obligaties afbreuk aan de aanpak van het
Drijfvermogen? Nee. Het Drijfvermogen is een breed gespreide
portefeuille met uiteenlopende strategieën. Deze spreiding leidt er op
lange termijn toe dat deze beter presteert dan een specifieke strategie
die het over een bepaalde periode beter kan doen. Het Stuwvermogen is
risicovoller en daardoor gevoeliger voor turbulentie op financiële
markten, maar beduidend minder gevoelig dan aandelen. Hoe kan dat? Dat
komt door naast aandelen andere strategieën toe te voegen aan de
portefeuille, zoals de eerder genoemde macro en trendvolgende
strategieën die het ook in turbulente tijden goed kunnen doen. Dat was
zeker het geval in de jaren 2000, 2001 en 2002 evenals in 2008. Maar
minder in 2011. Daarin deden aandelen het net iets beter dan het
Stuwvermogen.
De diversificatie over verschillende strategieën
binnen het Drijf- en Stuwvermogen leidt tot een aantrekkelijk rendement
op lange termijn bij een eveneens aantrekkelijk risiconiveau. Dat ziet u
weergegeven in de onderstaande grafiek. Hierbij zijn het rendement en
risico van het Drijf- en Stuwvermogen afgezet tegen dat van aandelen en
obligaties. Een belangrijke kanttekening is dat het Drijf- en
Stuwvermogen is berekend inclusief 1,5 procent jaarlijkse kosten en dat
de obligatie- en
aandelenindex geen kosten hebben. Laat ik het Stuwvermogen als
voorbeeld nemen. Het spreiden over meerdere beleggingsstrategieën –
naast aandelen – levert op lange termijn een beduidend aantrekkelijkere
rendement-risicoverhouding op dan een 100-procentaandelenbelegging.
Echter, in jaren dat aandelenmarkten het goed doen, zoals in de jaren
2003 tot en met 2007 blijft het Stuwvermogen achter bij het rendement
van aandelen. Zie hier wederom het belang van het oordelen op lange
termijn in plaats van op korte termijn. Het Drijf- en Stuwvermogen
leggen het op korte termijn altijd af tegen beleggingen die het – over
een specifieke periode – beter hebben gedaan.
Lange termijn versus korte termijn
Door
de aandacht te verleggen van de korte termijn naar een
langetermijnstrategie creëert u de eerder genoemde rust. Tevens biedt
het u voor lange tijd houvast. U heeft weliswaar niet elk jaar het
‘hoogste’ rendement of elk jaar een positief rendement, maar op langere
termijn biedt de combinatie van strategieën u wel een aantrekkelijke
rendement-risicoverhouding. U zou denken dat iedereen kiest voor een
manier van beleggen die op lange termijn de meest aantrekkelijk
rendement-risicokenmerken heeft. Toch doen veel mensen dat niet, omdat
ze geen strategie volgen. Zij switchen om de paar jaar van de ene naar
de andere belegging op basis van het sentiment. Ze vergelijken continu
de prestaties van hun beleggingen met wat ze hadden kunnen hebben als ze
iets anders hadden gedaan. Dit is beleggen ‘in de
achteruitkijkspiegel’. Onderzoeken bevestigen dit gedrag. Amerikaans
onderzoek van Dalbar toont aan dat beleggers gemiddeld maar 2,5 jaar in
een beleggingsfonds blijven zitten. Onderzoek van Morningstar toont aan
dat beleggers feitelijk standaard ‘op het verkeerde’ moment in fondsen
stappen.
Succesvolle beleggers op lange termijn hebben een ding
gemeen. Ze hebben een strategie en zijn daaraan trouw. Of dat nu een
succesvolle lange termijn aandelenbelegger is of een succesvolle
trendvolgende beheerder. Beiden zullen in een specifiek jaar ‘andere’
rendementen behalen, maar beiden zijn op lange termijn succesvol.

Naar column overzicht